Voorkeurstemmen, kiesdeler en kiesdrempels, hoe zit dat?

Nu de gekozen raadsleden ook bekend zijn, merk ik dat er veel onduidelijkheid is over voorkeurstemmen, kiesdeler en kiesdrempels. Daarom hier een uitleg over deze begrippen.

In een reeks columns met de titel ‘Hoe zit dat?’ probeer ik duidelijk te maken hoe zaken die in de lokale politiek spelen, maar door velen als ingewikkeld, onduidelijk of onbegrijpelijk worden gezien een beetje op te helderen.

Allereerst de kiesdeler. Dat is het aantal stemmen dat nodig is voor precies 1 zetel.
In Amersfoort zijn er 39 raadszetels, dus de kiesdeler is 1/39e van het totaal aantal geldige, niet blanco stemmen.

In Amersfoort zijn dat er 63.612 (op amersfoort.nl staat 63.611, maar de som van de de partijen is er 1 meer). De kiesdeler is dus 1631,077.

Veel mensen verwarren de kiesdeler met de kiesdrempel. Een kiesdrempel heeft niets met individuele kandidaten te maken maar met partijen. De kiesdrempel is het minimale aantal stemmen dat nodig is voor een partij om toegelaten te worden tot het vertegenwoordigend orgaan, de raad in dit geval.

Daar kunnen we kort over zijn: die bestaat niet bij de raadsverkiezingen. Wel bij de Tweede Kamer. Daar moet je tenminste één volledige zetel aan stemmen binnenhalen. En in Duitsland is ervoor de Bondsdag een kiesdrempel van 5%.

Maar goed, die kiesdrempel bestaat voor de raadsverkiezingen dus niet. Ook met minder dan één zetel aan stemmen kun je in de gemeenteraad komen, zoals OPA gisteren gelukt is.

Dan de voorkeurstemmen. In principe worden de verdiende zetels van een partij toegewezen op volgorde van de lijst, tenzij het aantal stemmen op iemand meer dan een kwart van de kiesdeler bedraagt. Die krijgt voorrang. Zijn er meer in een partij met meer dan een ¼ kiesdeler, dan worden zij op volgorde van aantal stemmen gerangschikt.

In Amersfoort geldt dus deze keer dat je minstens 408 stemmen moet hebben gehaald om op voorkeurstemmen de raad in te komen. Het kan dus dat iemand raadslid wordt omdat hij hoger op de lijst staat dan iemand anders die lager staat, maar wel veel meer stemmen heeft.

Dat is bijvoorbeeld gebeurd bij de heer Happe, #11 van D66. Hij haalde 308 stemmen.
Veel meer dan de Huijdts (#6) en Dassen (#7), die resp. 99 en 66 stemmen haalden, maar niet genoeg om op te schuiven in de ranschikking.

Het kan óók dat je de kwart kiesdeler wel hebt gehaald, maar er toch niet in komt, omdat je partij te weinig (of geen) zetels heeft gehaald. Bij de BGA haalde de #4, dhr Belkasmi, 545 stemmen. Genoeg om naar 1 op te schuiven omdat niemand (inclusief lijsttrekker Adli) de ¼ kiesdeler haalde.

Maar omdat de BGA onvoldoende stemmen voor een zetel haalde, komt hij, ondanks de voorkeurstemmen, niet in de raad. Zou de BGA wel voldoende stemmen hebben gehaald, dan zou dus niet lijsttrekker Adli, maar #4 Belkasmi raadslid geworden zijn. Dit zou ook kunnen bij een partij waar er 3 mensen de ¼ kiesdeler halen, terwijl de partij in totaal slechts 2 zetels heeft verdiend.

Deze keer zijn er 4 kandidaten die niet vanwege hun plek op de lijst, maar uitsluitend dankzij voorkeurstemmen gekozen zijn:

  • Mw Steenbeek-Los ten koste van dhr Meerman (BPA)
  • Dhr Voogt ipv mw Ballast-Tatarian (VVD)
  • Dhr Keski ipv dhr Kuiper (PvdA)
  • Mw Janssen ipv dhr Bulthuis (GroenLinks)

Er zijn er meer die meer dan een ¼ kiesdeler aan voorkeurstemmen hebben gehaald. Maar zij zouden ook zonder die stemmen gekozen zijn, op basis van hun positie op de lijst.

Goed: kiesdeler, kiesdrempel en voorkeurstemmen. Duidelijk zo?

Roland Offereins © 2014